Geen samenwerkingsverband voor de BBO tussen belanghebbende en de dochtervennootschappen waaraan zij onroerende goederen verhuurt. Naar het oordeel van het Gerecht is er in casu ook geen rechtvaardiging om de huur neerwaarts aan te passen, omdat de huur niet (langer) zou overeenkomen met de waarde in het economische verkeer. Ook de omstandigheid dat er geen vergoeding is betaald, maakt naar het oordeel van het Gerecht niet dat heffing van BBO achterwege dient te blijven. De aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag BBO blijft derhalve in stand, maar de vergrijpboete wordt vernietigd omdat de Inspecteur niet heeft voldaan aan zijn bewijsmaatstaf

Samenvatting zaak In deze Sint Maartense zaak (ECLI:NL:OGEAM:2025:116) is het volgende aan de orde. Belanghebbende exploiteerde tot juni 2016 een hotel en casino, maar per juni 2016 zijn de hotelactiviteiten overgedragen aan “Y” en de casinoactiviteiten aan “Z”, vennnootschappen waarvan belanghebbende 100% aandeelhouder is. Sedertdien bestaan de activiteiten van belanghebbende uit de verhuur van onroerend goed aan Y en Z en het fungeren als houdstermaatschappij. Aan de verhuur van het ...